Monday, 16 July 2018

INTRO: BIJGELOOF EN DE WORTELS VAN VOLKSMAGIE IN ZUID ITALIË - LEZING SYMPOSIUM PFI 10 JUNI 2018 - PART I

ZUID ITALIË, CULTUUR EN TRADITIES


Siciliaans meisje met zwarte kat, 1895
Na de val van het West Romeinse Rijk werd Italië doorkruist door verschillende migraties van volkeren uit alle windstreken, en werd door enkele van deze gedomineerd tot diep in de 19de eeuw. Al deze overheersingen brachten verschillende tradities en gedachtegoed met zich mee, die terug te vinden zijn in de taal, literatuur, kunst, architectuur, folklore, festiviteiten en natuurlijk in het bijgeloof van het land. In het Zuiden zijn het in het bijzonder de overheersingen van de Longobarden, Saracenen, Noormannen en later de Spanjaarden en Fransen, die de grootste invloed op de cultuur hebben uitgeoefend. In hedendaags Italië, is het rooms-katholieke geloof een nogal groot en vanzelfsprekend onderdeel van de landelijke cultuur, vooral in het Zuiden.

Het bijgeloof is hier echter ook aanwezig in het dagelijks leven, door de eeuwen heen als element dat sterk verweven is met de leer van het katholicisme, in het beleven van rituelen, openbaar en binnenshuis, bij gemeenschappen en individueel, en ook bij officiële ceremonies van de  kerk: deze zaken zijn zo diep met elkaar verbonden dat het vaak onmogelijk te vertellen is waar geloof eindigt en bijgeloof begint. Laten we het zo stellen dat ze elkaar aanvullen en versterken, in harmonie naast elkaar bestaan, in een soort osmose die door de eeuwen heen complexe connotaties heeft gekregen, waarin het volk en de kerk vrede met elkaar hebben gevonden, ondanks alle controversen en onlogische kronkels waarmee in de meeste gevallen de kerk juist het bijgeloof de ene keer gebruikt om haar macht te versterken en de andere keer het bijgeloof afkeurt, om de volgelingen te manipuleren en bang te maken met een straf die hen in het hiernamaals zal treffen.

Deze materie is natuurlijk heel breed en als fenomeen manifesteert het zich in vele aspecten van het dagelijks leven, met verschillende intensiteiten van innerlijke beleving en in alle sociale contexten van de maatschappij, ongeacht geschiedenisperiodes, opleidingsniveau, sociale status en/of klasse. Veel antropologen, sociologen, historici, intellectuelen, journalisten en amateurs hebben het bijgeloof onderzocht, erover geschreven en het geanalyseerd. Zelf zal ik hier maar enkele aspecten en voorbeelden die mij boeien onder een loep nemen. Bijgeloof is steeds sneller aan het verdwijnen in de westerse maatschappij, hoewel tradities ook vaak een nieuw jasje krijgen, aangezien folklore ook toerisme kan aantrekken en op die manier werkgelegenheid creëert, en zodoende een nieuwe benadering van het verleden als basis voor de identiteit van nieuwe generaties oplevert. Helaas gaat dit wel ten koste van de authentieke folklore en haar bijzondere diepgang.

In Zuid Italië heeft de burger ten opzichte van een relatief recent verleden een hoger niveau van opleiding en ontwikkeling gekregen wat hem in staat stelt te geloven in zijn eigen capaciteiten. Ook de relatieve mate van industrialisatie van een gebied dat fundamenteel agrarisch was, heeft veel bepaald voor het voortbestaan van oude tradities. Het analfabetisme was in Italië tot enkele decennia geleden, vooral op het platteland, nog een dramatische realiteit. In het Zuiden verschilde de cijfers met het rijke Noorden behoorlijk, vooral buiten de grote steden: in 1951 kon ongeveer 30% van de populatie van de regio’s in het Zuiden niet lezen en schrijven. Veel meer scholing dan hooguit twee of drie jaar basisschool kregen de meeste mensen niet en vrouwen vaak geen enkele.  Tegenwoordig zijn er in  het Zuiden ook minder hoogopgeleiden mensen dan in het Noorden, hoewel er volgens officiële statistieken tegenwoordig wel meer vrouwen dan mannen hun universitaire opleiding afronden (dit is een landelijk gemiddelde).

De beloftes uit de politiek van de jaren 60/70 van de vorige eeuw, met de illusies om de zwakke economische situatie van het Zuiden te verbeteren behoren grotendeels tot het verleden en hoeven niet langer de angsten en aspiraties van een onzekere toekomst goed te maken. De berustende wanhoop van de 'cultuur van de ellende' ondergaat een radicale vernieuwing: over het algemeen zijn boeren en burgers er nu van overtuigd dat het niet langer een gril van het lot is, maar de directe consequentie van menselijke keuzes en gedrag die het lot van het land bepalen. Een beter besef van het zich los kunnen maken van de geïnstitutionaliseerde macht (de staat, de kerk maar ook de georganiseerde misdaad) is zich sneller dan ooit aan het ontwikkelen en worstelt tegen de ongeschreven regels, gewoontes en angsten. Dit zal ongetwijfeld de identiteit en de toekomst veranderen, waarmee veel tradities verloren gaan en zullen blijven gaan.


Sunday, 15 July 2018

LEZING BIJGELOOF PART II - VERSLAGEN VAN ANTROPOLOGEN EN JOURNALISTEN


De joodse journalist Carlo Levi leefde in de tijden van Mussolini in ballingschap in Zuid-Italië bij de plaats Eboli, in de regio Lucania (hedendaags Basilicata genoemd). In zijn prachtige reportage/roman “Christus kwam niet verder dan Eboli” vertelt hij een verhaal waarin hij getuige is van het bestaan van een wereld  die bestond buiten de geschiedenis van de rest van Italië, met enorme verschillen vergeleken met het Noorden van Italië waar hij vandaan kwam, en ver af van de macht van de Kerk van Rome: de roman werd ook prachtig vertolkt in de film van Francesco Rosi uit 1979.


De Griekse actrice Irene Papas in de rol van Giulia Venere
Portret van Giulia Venere door Carlo Levi, 1936

Na anderhalf jaar tijd dat hij daar in ballingschap leefde, heeft Levi  kunnen concluderen dat de geschiedenis, de Kerk en de wet weinig hadden kunnen veranderen in de cultuur van de boeren en de dorpelingen uit die streek, omdat deze in feiten geïsoleerd en relatief ongecontroleerd leefden. In hun dagelijks leven, waarin armoede, ziektes, honger en afhankelijkheid van de natuurcycli bij een land waar de regen zich weinig laat zien en de grond heel lastig is te cultiveren, waren het lot en het blootgesteld zijn aan de natuurkrachten een vanzelfsprekend feit.

Levi beschrijft hun bestaan als iets dat door een soort pijn die amoreel is wordt gevuld, een pijn die een aardse aanwezigheid is in alles wat rondom die mensen bestaat.

Hierdoor, de fundamenten van het christendom, oftewel de individuele ziel, de hoop, de verbinding tussen oorzaak en gevolg, maar ook de ratio en de geschiedenis, waren voor die mensen elementen die niet konden doordringen in hun bestaan. Eigenlijk waren de Romeinen, in het verre verleden, ook daar nooit echt gekomen, met hun grote wegen, oorlogen en handel, en zelfs de Oude Grieken niet: de tijd had in hun geest grotendeels stil gestaan, en er werd nauwelijks gecommuniceerd met de geïnstitutionaliseerde machten en/of andere volken en culturen.

Het is bekend dat niet alleen in die streken, maar over het algemeen in heel Zuid Italië, de vele veroveraars die daar hebben gedomineerd en de gecentraliseerde macht van het land weinig hebben gegeven om de economische groei en het welzijn van mens en land. De macht van Staat en Kerk heeft zich beperkt tot belasten, exploiteren, en het opleggen van sociale normen en waarden die vreemd en vijandig leken. In de tijd van het Fascisme wist een groot deel van de bevolking van de streek waar Levi verbleef niet eens wat Rome was: men had geen idee van het bestaan van een hoofdstad en hooguit een gevoel van een staat die hun wilde onderdrukken.

De journalist constateert  een heidense, primitieve heiligheid die in alles stroomt, en het individu verbindt in een onafscheidelijke veelheid waar het idee van onafhankelijkheid niet kan bestaan. De nauwe co-existentie van de mensen met dieren betekende dat enkele individuen dierlijke trekken konden aannemen, in gedrag of uiterlijk, tijdelijk of zelfs permanent.

Levi woont tijdelijk bij de dorpsheks en alleenstaande moeder Giulia Venere. Zij verbiedt hem bijvoorbeeld de vuilnis in de avond buiten te zetten, omdat anders een van de beschermende avondengelen van het huis (een bij de deur, een bij de tafel en een bij het bed) beledigd zou zijn. Giulia wil niet poseren voor een geschilderd portret (Levi was ook een schilder) omdat zij bang was dat haar ziel gestolen zou worden. Uiteindelijk geeft zij toe, en hij mag een portret van haar toch maken.

De antropoloog Ernesto De Martino, auteur van vele belangrijke studies over folklore en magische rituelen,  werd getuige van de laatste periode waarin volksgeloof rituelen die verdwenen zijn plaats vonden in het platteland van Zuid Italië. Enkele taferelen werden ook door zijn equipe gefilmd en geregistreerd. In zijn werk “Sud e Magia” (Het Zuiden en Magie) vraagt hij zich af waarom in een diep katholiek land, maar ook een land van belangrijke filosofen uit de Verlichting en andere intellectuelen die het geloof ter discussie hadden gebracht sinds de achttiende eeuw, irrationele en heidense manifestaties zoals magie bleven bestaan. Hij probeert  de oorzaken en gevolgen van dit zeer specifieke syncretisme te identificeren en een historische verklaring te geven.

Vrouw uit de documentaire van De Martino, de zogenaamde fattucchiera di Colobraro

Volgens De Martino kunnen wij stellen dat een archaïsche levensovertuiging de oorzaak is, ondanks de modernisering. De onzekerheid van de toekomst, de druk die geoefend wordt door de natuurkrachten (zoals langdurige droogte, epidemieën, aardbevingen) en de geïnstitutionaliseerde maar veraf staande macht, waarop het volk geen controle kan beoefenen en nauwelijks ermee kan communiceren, de afwezigheid van sociale diensten en infrastructuur, waren toen en zijn nog steeds een vruchtbare grond voor het praktiseren van volksmagie als enige redding tegen de dagelijkse tegenslagen van het leven.

De Kerk, die direct of indirect zorgt voor de co-existentie van elementen van magie en religie, snapte de functie van deze verbinding: in de heidense “scongiuri” (formules) werden de christelijke heiligen en gebeden, met de simpele gebaren van een kruis slaan, de heidense “historiolae” (verhaaltjes, verzinsels) met christelijke “historiolae” vervangen, en op deze manier konden de volkse geheugen  helpen om de thema’s van het geloof beter te onthouden” (door middel van bijvoorbeeld rijmen en ritmische herhalingen, ook van gebaar).

De Martino beschrijft vele voorbeelden van rituelen en handelingen van het dagelijks leven, waar hij zelf aanwezig was geweest of zich had laten vertellen. Genezingen, voorkomen van ziektes, manipuleren van relaties, voorkomen van slechte omstandigheden, het boze oog etc.  Zelfs tijdens het volgen van de christelijke liturgische praktijken, neemt de zuiderling geen afstand van de magische en sjamanistische handelingen. Deze verruiming van religieuze begrippen garandeert hem de aanwezigheid van God en vermindert het conflict van een zondige situatie.

Hetzelfde verzoek om genade wordt in het algemeen gericht aan de heiligen.  Met de uitgekozen heilige (meestal is deze toch een streekverbonden figuur) ontstaat er een vertrouwensrelatie en solidariteit, alsof hij/zij een intieme vriend/in van de aanvrager zou zijn en ook vanzelfsprekend partij voor hem zou nemen, ongeacht de oprechtheid van de wens: men gaat van het idee uit dat wensen vervullen een taak van de heiligen is. Als de wens uitkomt, of de gratie wordt verleend, dan wordt de heilige terugbetaald door de aanvrager met een ex-voto (een object van zilver, of andere materiaal, meestal in de vorm van een hart met vlammen, vroeger ook in de vorm van de orgaan die genezen werd), die naar de gewijde kerk van de heilige wordt gebracht, of met geschenken in geld voor de kerk waar de heilige wordt vereerd, of een opoffering.

Uit onderzoeken die door experten van folklore en populaire tradities zijn uitgevoerd, is een hele reeks documenten aan het licht gekomen over de riten van magie, het bijgeloof en volksgeloof, en over volksgeneeskunde. Er waren talloze magische praktijken die erop gericht waren de gebeurtenissen af ​​te wenden van elke negatieve invloed van het bovennatuurlijke. Deze betroffen alle aspecten en stadia van het leven  volgens zijn ritme: geboorte, verloving, huwelijk, dood, landbouw, gezondheid, en ook oude praktijken die nog steeds worden uitgeoefend in een of ander heiligdom, gericht op het verkrijgen van een volledig contact met de goddelijkheid waarvan verwacht wordt dat ze genezingen en genade zullen verstrekken, vijanden verslagen of vervloeken en voorspoed bevorderden.

Overal in het Zuiden werden spreuken, kruiden en andere soorten remedies gebruikt waar het medicijn of een simpel gebed in de kerk niet konden helpen. Kruiden hadden een belangrijke rol. Een veel gebruikt kruid was de wijnruit (Ruta graveolens), een plant met verdovende kracht die, om haar  magische waarde te krijgen, na middernacht moest worden verzameld. Het gebruik van wijnruit is gedocumenteerd sinds de oudheid en had volgens vele tradities de kracht om boze geesten en slechte invloeden te verjagen. In het verhaal van Mitridates, was wijnruit de belangrijkste ingrediënt van zijn anti-gif drank. In werkelijkheid, hoge doseringen van deze plant zijn zeer schadelijk en kunnen ontstekingen van de huid, maag en darmen, stuiptrekkingen, duizeligheid en vergiftigingen veroorzaken, en bij zwangere vrouwen abortus. Wijnruit werd toch in het volksgeneeskunde veel toegepast, onder andere om malaria proberen te bestrijden.

De antropoloog Alfredo Cattabiani, auteur van o.a. een prachtige boek met de titel “Florario” over de geschiedenis en mythologie van planten , vertelt dat het volksgeloof beweerde dat de wijnruit de libido van vrouwen liet toenemen maar die van mannen juist afnemen. Wijnruit werd gedragen om  schorpioenen, spinnen en slangen af te weren, maar ook gemengd met wijn, honing en zout en op de wonden gesmeerd in geval van beten van giftige insecten, reptielen of honden. In de Reinassance werd deze kruid ook “herba de fuga demonis”, oftewel “duivelverdrijvend kruid” genoemd.

Andere twee universele beschermende planten van het Zuiden, de knoflook en, na de Reinassance, de chilipepers, werden veel gebruikt om huizen, mensen en dieren te beschermen: hangend bij deuren, schoorstenen, ramen en verwerkt in amuletten, dranken of smeersels, soms ook samen met wijnruit. Een teen knoflook werd meegenomen op zak voor algemene bescherming, en ijzeren voorwerpen voor het landbouw werden “ritueel” gewreven met knoflook.

De laurier, in het Middenllandse Zeegebied sinds de Oudheid een heilige plant, waaromheen veel bekende mythes draaien, werd ook veel in het volksmagie gebruikt. Laurier had volgens het oude leer zuiverende eigenschappen: het werd bijvoorbeeld toegepast om water te reinigen, en volgens veel  geleerden, o.a. de Siciliaanse antropoloog Pitrè, was laurier een beschermende plant tegen bliksem en storm. Pitrè vertelt ook dat in enkele streken van Sicilië grote takken laurier gezegend werden en dan versierd met linten, sinaasappels en zijden doeken, en in heilige processies van de katholieke kerk gebruikt werden als ornament: de participanten probeerden een klein takje te veroveren en mee te nemen naar huis als zegening en bescherming.

Voorwerpen van ijzer zoals spijkers, hoefijzers, en schedels van dieren of andere dierlijke lichaamsdelen zoals botten, haar of veren, maar ook menselijk haar, nagels, bloed, sperma, speeksel werden gebruikt voor magische doeleinden. Speeksel in het bijzonder, werd beschouwd als een belangrijk magisch middel:  drie keer spugen op de grond was een snelle remedie om het boze oog, kwade woorden of vijandig gedrag tegen te houden.

In deze kostbare korte film “Superstizione” van de beroemde regisseur Michelangelo Antonioni, kunnen wij authentieke beelden zien van handelingen van volksgeloof, uit de jaren ‘40/50 van de voorgaande eeuw die opgenomen zijn in Zuid Italië. Helaas is het audiomateriaal in zeer slechte staat.


https://www.youtube.com/watch?v=_QMkHTal2T0



 

LEZING BIJGELOOF PART III - FEESTDAGEN


De feestelijke periodes van de winterzonnewende vertegenwoordigden de mogelijkheid om de band met de godheid te versterken, in de hoop op goede gewassen. December was ook in Zuid-Italië een belangrijke maand vol rituele praktijken, tradities en folklore, binnen en buitenshuis. Tijdens de kerstperiode werd in de boerenfamilies een groot vuur ingewijd (in feite kun je zelfs vandaag op kerstavond in veel dorpen in Zuid Italië de zogenaamde "vreugdevuur" bewonderen), en tot heden wordt er in dorpen buiten rondom deze vuren gezongen, gegeten en gedanst.  De herders kwamen, met hun mooiste kostuums, uit de bergen naar de dorpen en steden rondom de Kerstdagen om muziek te maken  en hun typische doedelzak als "zampognari", om geld te verdienen tijdens de moeilijkste periode van het jaar, en de sfeer werd door hun vrolijke muziek heel feestelijk gemaakt.


Levende kersttafereel met "zampognari"

Er werd een boomstam dagenlang gebrand, tot het nieuwjaarsdag was. Rondom het vuur van deze boomstam waren ook de geesten van de voorouders aanwezig: in de Marsica, een streek van Abruzzo, werden de vonken van deze vuren “parenti” genoemd,  een woord dat duidelijk uit het Latijn “parentes” (ouders) komt. De as van dit vuur had helende krachten en werd ook op de velden gestrooid om een goede oogst te verzekeren. Kerstnacht is een nacht van wonderen: in de volksverhalen stoppen de rivieren, de fonteinen spuiten olie, honing of goud, de dieren spreken, de bomen dragen vruchten, en de voorwerpen van goedkoop metaal worden omgezet in goud. Precies als Kerstnacht werd de nacht van Driekoningen op 6 januari,  op veel plaatsen in Calabrië ook als een belangrijk moment beschouwd: de doden zullen opstaan ​​uit de graven, met een witte jurk aan en een lamp in de hand, om brood te maken.  De tafel van de Kerstdiner werd niet opgeruimd, zodat de geesten van de doden, die hun voormalige huizen bezochten, de tafel gedekt konden vinden en het huis goed verlicht. Deze tradities en geloof zijn langzaam aan het verdwijnen in de grotere steden en bij jongere families.

Wie durfde zich in de stal op kerstnacht te verstoppen om naar de dieren die onder elkaar praatten te luisteren, kon vele geheimen ontdekken, naar profetische verhalen luisteren, maar ook de datum van zijn dood te horen krijgen of andere slechte voorspellingen. De kinderen die in Abruzzo op Kerst geboren werden, maar ook het zevende kind waarvan de voorgaande allemaal van de zelfde geslacht waren, kregen grote kans  om heksen of weerwolven te worden. De vaders van deze kinderen zouden voor de drie nachten na de Kerst dan een kruis met een hete naald tekenen op de voeten van de baby om hem/haar proberen te beschermen van dit lot: in Abruzzo werd dit “ferrare” genoemd (verijzeren).

De”Festa dei Morti” (Feest van de Doden), door de Franse heilige Odilon van Cluny in 998 als katholieke traditie geïntroduceerd, is een van de belangrijkste feestdagen op vele locaties en steden in Sicilië (maar ook bekend met andere vergelijkbare tradities in heel Italië). Het wordt op 2 november uitgebreid gevierd en het is een van de mooiste voorbeelden van katholieke tradities die zich mengen met volks en boerengeloof. Tijdens de nacht tussen 1 en 2 november werd er in Sicilië gezegd dat de voorouders wakker zouden worden en de huizen van hun nageslacht zouden bezoeken, met snoep, speelgoed, fruit, muntjes en cadeautjes voor de kinderen. 

Deze traditie is tegenwoordig nog levend maar heeft een commerciële wending gekregen, helaas, net als vele andere jaarfeesten, en veel invloeden uit het Amerikaans feest van Halloween, waardoor de traditionele gebakjes en geschenken verbasterd raken in hun vormgeving en recepten, en hun glorie verliezen.Typische geschenken zijn de “pupi di zuccara” (gekleurde poppen van suiker, die vaak helden uit het Normandische cyclus van de Siciliaanse poppentheater tradities vertegenwoordigen), “u canistru” (de mand), een mand vol met gedroogd fruit, chocoladekoekjes, fruit van amandelpasta,  rozijnenbrood en speelgoed.  

 
"Pupi di zuccara", suikerpopjes voor de Dodenfeest




"Pupi Siciliani", traditionele marionetten uit Sicilië
 

Nieuwe schoenen werden ook vaak als cadeau gegeven, voor een "goede wandeling", als een groet voor het nieuwe jaar. De dag van 2 november verliep volgens een klassiek ritueel: 's morgens terwijl de kinderen op geschenken door het huis jaagden, bereidden de groten zich voor op de gebruikelijke rondgang op de begraafplaatsen. De sfeer was niet verdrietig, maar feestelijk, de doden werden om advies en bescherming gevraagd, en niet alleen voor de nummers die in het lottospel moesten worden gespeeld, maar ook voor belangrijke beslissingen op het gebied van liefde of werk, of een investering. Er worden ook tegenwoordig veel bloemen op de grafstenen gebracht op 2 november. Tijdens de processie naar de begraafplaats was het gebruikelijk om bekenden en vrienden te ontmoeten. Tot de vorige eeuw was het ook gebruikelijk om op de begraafplaats te lunchen om de overledenen te eren.


LEZING BIJGELOOF PART IV - ZWANGERSCHAP, GEBOORTE, BORSTVOEDING EN GEZONDHEID VAN HET KIND


Er waren tal van populaire overtuigingen die samenhingen met de geboorte van een kind en zijn eerste levensjaren.  Het is over het algemeen een reeks voorzorgsmaatregelen die erop gericht zijn het kwaad weg te houden, van echt tot 'magisch'. In de moderne samenleving van het Zuiden van Italië worden veel van deze gewoontes hedendaags nog toegepast, en de overtuigingen zijn nog behoorlijk levendig bij oudere generaties. De behoefte aan bescherming tegen schadelijke toestanden, ook (en vooral!) een jaloerse blik, wordt verklaard door het feit dat de geboorte van een kind werd beschouwd als een teken van goddelijke welwillendheid. 

In de regio Abruzzo, maar in andere streken ook, het verbod om het kind te kussen voor de doop en om hoorntjes, gouden en zilveren voorwerpen in de vorm van een hart of een crucifix of portret van een heilige op het hemd van de baby of met een ketting aan zijn nek te hangen zijn nog hele populaire tradities. Sieraden, bijna altijd van goud en koraal of andere edelstenen als de aquamarijn, worden aan kinderen cadeau gegeven door familieleden en peetouders bij het doopfont, of op de dag van de eerste communie. 


Gouden medaille met de Heilige Geest als duif



Wij kunnen beweren dat deze overtuigingen zijn echter uitingen van tradities die in stand gehouden worden door de sterke banden tussen generaties, stukjes van het verleden, van iets dat in de loop van de tijd zal verdwijnen, maar sporen achterlaten die niet helemaal kunnen worden gewist en die tegenwoordig vaak worden beleefd met een vleugje humor (het is niet waar, maar ik geloof er wel in!)

Er werden allerlei soorten amuletten gebruikt om pasgeborenen en kinderen te beschermen tegen gevaar, ziektes maar meer dan alles het boze oog. In Sicilië en Calabrië werd een wolvenpoot, wolventanden of een zakje met het haar van de voorhoofd van een wolf, aan de nek van het kind gehangen met een rode lint om hem tegen ziektes te beschermen. Ook tanden  en haren van de das werden veel gebruikt, om heksen en het boze oog af te weren. Rondom de wieg werden voorwerpen van ijzer zoals messen of scharen gebruikt die het kind tijdens zijn slaap zouden beschermen tegen de heksen en boze nachtgeesten. Kruiden, liedjes en magische formules werden ook veel gebruikt, samen met andere remedies, om kinderziektes te verjagen of te genezen.  

De antropoloog De Martino schrijft over dit onderwerp een zeer gedetailleerde en interessante hoofdstuk in “Sud e Magia”.
In Lucanië werd, naast de officiele rite van de doping in de kerk, nog een andere soort ceremonie in huis gedaan: het gedoopte kind moest nog door de “zeven feeën”gedoopt worden. De Martino vertelt in zijn boek en in zijn documentaire dat specifieke en toch eenvoudige amuletten naast de wieg werden gebruikt (planten, een mesje, een sleutel, twee stukken ijzer op elkaar gekruisd), samen met de kleertjes van het kind werden gelegd. Er moesten ook nog een kom met water en zeven stoelen rondom de wieg waar de pasgeborenen sliep. Het kind werd dan alleen gelaten, want ’s nachts zouden zeven feeën komen die het kind zullen zegenen: zij zouden het water aanraken, het voorhoofd van het kind en de kleertjes, en zich aan een speciaal voor hun gelegde handdoek zich drogen, en vervolgens weer uit het raam stilletjes weer weg zullen gaan. Dit ritueel is in 1958 door De Martino in zijn documentaire gefilmd zoals wij in deze video kunnen zien (min. 16 en 17). 



https://www.youtube.com/watch?v=8PxPc484lqU


Even "off topic": het verhaal van deze zeven feeën, vrouwen met magische krachten, heeft verschillende versies in Zuid Italië. Er is bijvoorbeeld een pleintje in Palermo (Sicilië) aan hun gewijd. Deze “Zeven Feeën” waren de zogenaamde “Donne di fuora” (vrouwen van ver af, van buiten), bovennatuurlijke wezens die volgens de legendes ’s nachts binnen kwamen, alleen in hun geestelijke vorm door een sleutelgat of een kier, of door de schoorsteen, en het huis moest daarom heel schoon en opgeruimd zijn. Zij kwamen in contact met de dwalende geesten en afhankelijk van het gedrag van de mensen die in de huizen die zij bezochten, werden zij hun vriendinnen of vijanden. Er was het geloof dat deze “Dames” een samenleving vormde van 33 machtige wezens, gekozen om hun schoonheid, gevoel van rechtvaardigheid, de deugd van stilte en de gehoorzaamheid naar de beslissingen die door hun metgezellen werden genomen. De "Donne di Fuora" waren afhankelijk van een "Grotere Fee" (ook genaamd "Grote Moeder", "Griekse Dame" en "Savia Sibilla"), die in Messina woonde.  Als de nieuwe dag hen verraste, werden ze in padden getransformeerd tot de volgende nacht, wanneer ze weer vrouwen werden. Padden mogen daarom, mochten zij Donne di Fuora zijn, niet gedood worden. De risico voor wie het ook deed, kon een ernstige ziekte of de dood zijn.

Een variant van deze geesten is de Bella ‘Mbriana in Napels. Deze fee krijgt een groet als gasten binnen komen in een huis: “Bonasera Bella ‘Mbriana” : zij houdt ook van netheid en orde in huis, en toch wreekt zich als het huis wordt opgeknapt, volgens een gezegde die luidt “Casa accunciata, morte apparicchiata’(huis opgeknapt, dood voorbereid). In Napels werd vroeger een extra dek op tafel gelegd voor dit geest. De Bella ‘Mbriana manifesteert zich, volgens het folklore, niet zozeer als nachtwezen, maar in de vroege uren van de middag, soms in de vorm van een gekko (een soort hagedis).


Volgens verschillende theorieën, zouden deze magische wezens verwant zijn aan de Laren e Penaten van Oud Rome, of nog waarschijnlijker een variant de Dames Blanches die door de Normandische en Longobardische dominaties werden geïmporteerd in de folklore van Sicilië en andere streken van Italië waar zij langdurig de cultuur beïnvloed hebben.

Er waren vele spreuken tegen ziektes, parasieten en andere kwalen van de kindertijd, betoveringen tegen de jaloezie van steriele vrouwen of melkloze moeders, rituelen voor de bevordering van de goede stroom van moedermelk met, onder andere, het gebruik van "therapeutisch" water van sommige fonteinen die als wonderbaarlijk werden beschouwd.  
De komst van een kind was een bron van vreugde voor het hele gezin, maar vaak ook van jaloezie van iemand in de buurt. Voorbeelden van cultussen van fonteinen die de productie van moedermelk zouden bevorderen zijn terug te vinden bij enkele streken van Abruzzo. Bij de locatie Schiavi d'Abruzzo, aan de grens met de regio Molise, meldt de professor E. Giancristoforo dat "de beschermer van moedermelk is Sint Felice, aan wie in het dorp een fontein genaamd "Fonte Lattiera" is gewijd". Helaas verkeert deze fontein tegenwoordig in verval, en de cultus is praktisch verdwenen.

In die zelfde streken vertellen ouderen over een soort slang die ze in dialect "'m basturavacche"(koeienherder) noemden, die ze vaak bij deze fontein zagen. Deze slang zou het soort "cervone"(Elaphe quatuorlineata) zijn. Er was vroeger de overtuiging dat deze slang aangetrokken zou worden door de melk van koeien, schapen en geiten en dat hij aan de uiers van de vee zou komen voeden, en soms ook aan de lippen van slapende zuigelingen.


Deze slang is onschadelijk, van de Colubridae familie, de grootste van de reptielensoorten in Italië (het kan een lengte van 2,40 m bereiken).  Hij is bekend als de protagonist, bij de locatie Cocullo, in de provincie L'Aquila, van de vieringen ter ere van Sint Domenico. Bij deze gelegenheid wordt het standbeeld van de heilige gedragen in een processie bedekt met levende slangen. St. Dominicus wordt beschouwd als beschermer tegen kiespijn, reptielenbeten en hondsdolheid. Sint Domenico was een monnik die rond het jaar 1000 Latium en Abruzzo doorkruiste en kloosters en hermitages stichtte. Hij verbleef in Cocullo hij zeven jaar lang, en in de kerk die aan hem gewijd is, zijn nog relikwie te zien, een tand en een hoefijzer van zijn paard.
Op de ochtend van het jubileum, 1 mei, de gelovigen  trekken in deze kerk met hun tanden aan een ketting, om tandenziektes te voorkomen. 

Beeld van de heilige Domenico in Cocullo, tijdens de jaarlijkse processie op 1 mei


 Het feest van deze heilige is volgens sommige geleerden afkomstig van de oude cultus van de godin Angitia , een  godin die vereerd werd door de oude stam van de Marsi al voor dat Rome werd gesticht. Angitia was een Griekse priesteres die woonde aan de oevers van het meer  Fucino, en de plaatselijke bevolking de geheime kunst van waarzeggerij en genezing leerde, in het bijzonder kuren tegen slangenbeten. Hiervoor werden er heiligdommen gebouwd ter ere van haar, en slangen werden aangeboden als offers door degenen die genezing zochten. Volgens andere geleerden moet het echter worden toegeschreven aan de mythologie van Heracles, omdat in een ander dorp in de buurt, Casale, beelden van Heracles die de slangen doodt gevonden zijn, maar het kan ook zijn dat de twee cultussen elkaar aanvulden, gezien dat Heracles was uitgebreid vereerd in grote delen van de Middenlandse Zee gebied al eeuwen voor de expansie van Rome.


Beeld van de godin Angitia, klei, II- II eeuw v.C., gevonden in Luco dei Marsi (L'Aquila) - Archeologische Museum "La Civitella", Chieti


De boosaardigheid van de hekserij was een van de ergste tegenslagen om in de periode van de borstvoeding af te weren, beschouwd als een echt groot gevaar voor gezinnen. Toen de aanwezigheid van een heks in het huis werd vermoed , werd er een nachtwacht gehouden bij vrouwen met een pasgeborene, omdat die heksen de melk uit hun borsten zouden zuigen terwijl zij sliepen, waarvan het kind zou sterven. 
De eerste zorg van de moeder was om  amuletten verpakt in een linnen servetje bij de nek van de baby te brengen. Ik heb al de abitini (kleertjes) genoemd: deze amuletten bestonden bijvoorbeeld uit een wolfentand , een egelsteek en wilde kattenharen , samen met andere objecten zoals kruisen of votiefmedailles. 

 
Abitini, 1958, foto uit "Sud e Magia" van E. De Martino


Deze amuletten werden vaak ook aan de binnenkant van de kleding die gedragen werden door baby’s en peuters, maar ook van oudere kinderen en soms bij volwassenen genaaid. Het apotropeion, een oud Grieks woord dat "afwerend" betekent, is het doel van de doop die niet alleen de zondevlek moet wissen en de inwijding in de christelijke gemeenschap markeert, maar vooral strijd tegen kwade krachten>Volgens de zelfde gedachtegang, het is logisch dat er veel gedaan moet worden om de “abitino” te dopen, die aan de hals van de pasgeborene wordt gehangen tijdens de ceremonie bij de doopvont. Het gedoopte abitino van de eerstgeborene heeft een bijzondere kracht, en daarom wordt deze aan de hals gehangen van de later geboren baby die  moet worden gedoopt.  
Het inhoud van deze magische zakjes is zeer gevarieerd: een stuk  hoefijzer, drie tarwe korrels, drie graantjes van zout, een haar van een zwarte hond, een stukje stof van een priesterstola, papierenplaatjes van heiligen met een gebed, tanden van de vos (vooral tijdens de periode van melktandjes), stukjes hostie, linten, snufjes zout gekocht van verschillende winkels, veiligheidsspelden in het patroon van een kruis gespeld op een stuk canvas, een touwtje van de kerkbel (de heks zou dan al die draden van de touw moeten tellen, net als met de twijgen van een bezem), een snufje as, etc. Het gebruik van het verstoppen van een schaar met de uiteinden naar boven onder de wieg is gedocumenteerd bij de plaats Tricarico in Lucanië.


Heel populair was ook de gewoonte om achter het raam een tros korenaren, soms bedekt met een lamschedel,  of een bezem: de heks zou dan afgeleid worden en alle twijgen tellen voor dat zij binnen kon komen.