Vrijwel in iedere cultuur hebben de rituelen omtrent de dood een bijzondere betekenis. In Zuid Italië worden nog veel van de oude tradities in stand gehouden, ook omdat de angst voor de dood niet minder is geworden juist omdat het katholicisme het idee van een straf in het hiernamaals, eigen van een algemeen gedachtegoed uit het verre verleden, heeft vast gehouden en bevestigd in de pilaren van het geloof.
Na het overlijden van iemand, hadden vrouwen de taak om het lichaam te wassen, aankleden en verzorgen. In de kamer waar de persoon was overleden moest meteen een raam opengaan, zodat de ziel de weg naar de hemel kon vinden. De ogen van de overledene moesten goed dicht zijn, omdat anders zou hij/zij nog zeven leeftijdgenoten in het dorp met zich meenemen. Er werd een munt in de mond of in een zak van de kleding van de overledene gedaan, zodat hij/zij de reis naar het hiernamaals kon betalen. In de kist werden voorwerpen gelegd, die tijdens het leven dierbaar voor de overledene waren geweest.
Veel in gebruik in heel Italië was vroeger de begrafenislunch, genaamd "consolo" (troost), bereid door familie en vrienden van de overledene, iets dat hedendaags in Midden en Noord Italië niet meer wordt gedaan, terwijl in het Zuiden nog heel gewoon is.
In de ruimte waar de dode opgebaard lag, en tijdens de begrafenisprocessie, klaagzang werd soms uitgevoerd door de familieleden van de overledene, maar ook en vooral door betaalde klaagvrouwen (preficae).
Door het zingen, converseerden deze vrouwen met de doden: zij spraken hun liefdevol aan, herinnerden de lelijke en mooie dingen die zij samen met de familie hadden geleefd, stelden hun paradoxale vragen, verweten hun het vertrek uit het leven en de pijn en leegte die zij achterlieten, maar bedankten ook hun voor de wijsheid waarmee zij hadden geleefd en de vreugde die zij hadden gebracht. Hoe belangrijker de persoon was, hoe langer en rijker aan details het verhaal in het klaaggezang werd: iedereen moest weten, vooral de goden, en later God, hoe onmisbaar en goed de overledene was geweest.
![]() |
| Preficae in Lucanië, jaren 1950 |
Rituele klaagzang tijdens begrafenis ceremoniën wordt sinds millennia gebruikt in het Middenllandse Zee gebied. Ik weet niet zeker of het tegenwoordig in Zuid Italië deze traditie nog bestaat, en of er verschillen zijn tussen grote, moderne steden en platteland of dorpjes, maar ik weet zeker dat het tot niet zo erg lang geleden wel zo was, en misschien zijn er nog wel streken waar het nog gebeurt. Toen ik 18 was (1983), tijdens een vakantie in de geboorteplaats van mijn vader, de kleine stad van Stilo (Calabrië), heb ik toevallig zo een ouderwets begrafenis meegemaakt. Het was voor mij toen erg indrukwekkend, ook omdat ik onder andere nog nooit broeders had gezien die een lange, puntige witte kap droegen die hun gezicht bedekte, uit de Orde van de Gedisciplineerde Witten.
In eerste instantie had men kunnen denken dat zo een theatervoorstelling alleen bedrog en een mis en scene zou zijn, en in de ogen van een nuchtere moderne mens is het lastig om zonder irritatie ernaar te kijken: maar de echte functie van klaagzang, dat zijn oorsprong in de Oudheid heeft, was in feiten niet zo zeer indruk maken op de aanwezigen, maar de kwaliteiten van de overledenen, zijn herinneringen en het gemis die de dierbaren zouden gaan voelen na zijn dood, te onderstrepen en te manifesteren bij het goddelijke: hoe hoger de sociale positie van de persoon, hoe harder en langer werd er gehuild en gejammerd.
De intensiteit van de klaagzangen, hier en daar ook indrukwekkende schreeuwen, groeide toen andere familieleden of vrienden hulde aan het lichaam kwamen brengen. Ook bij de lunchgelegenheid werden natuurlijk de kwaliteiten van de overleden herdacht.
Toch was de figuur van de "prefica" niet zo respectabel: deze vrouwen waren vaak alleenstaanden, die hun kind moesten onderhouden, of weduwen, en waren bereid om verschillende manieren te vinden om aan geld te komen: volgens de archaïsche, patriarchale visie van de sociale structuur van het leven, was een alleenstaande vrouw die zelf geld moest verdienen minder respectabel dan een getrouwde, een visie die in het algemeen ook tegenwoordig nog lastig is te ontwortelen van de Zuid-Italiaanse cultuur.
In Abruzzo werd het net overledene meestal op een tafel gelegd, en aan de voet van deze tafel werden een bundel van drieëndertig kaarsen en drie kruisen gelegd; aan elk kruis werden ook twee witte zakdoeken opgehangen. Op dit punt zegende de dominee van het dorp het lijk. Op de dag van de begrafenis volgden de mannelijke familieleden de doodskist gehuld in zware zwarte mantels, terwijl de vrouwen gekleed waren in rouw met een typische geborduurde zwarte sluier.
In Abruzzo werd gedacht dat de ziel van een net overledene kon migreren in een muis, en daarom mocht een muis die gezien werd bij een rouwkamer niet afgemaakt worden. Vlinders werden ook op de zelfde wijze beschouwd: een witte vlinder was in het volksgeloof van Calabrië de ziel van een kind die door hekserij dood was gegaan, maar de koppeling van de ziel aan de vlinder is een veel oudere en bekende mythe uit vele oude culturen, en in Zuid Italië stamt direct af uit het Oud-Grieks verhaal van Eros en Psyche.
Een hagedis die binnen kwam, vooral een met een dubbele staart, was in het Zuiden een ziel die graag bij de familie op bezoek kwam. In de Middeleeuwen hadden de vleermuizen in Sicilië een minder poëtisch imago: zij moesten gepakt en levend verbrand worden en vijf keer vervloekt, omdat zij de zielen van verdoemden zouden zijn.
Een kind die stierf voor dat hij gedoopt kon worden, zou volgens het volksgeloof terug keren als "mazzemarelle", een woord die in heel Italië bekend is met verschillende dialect-varianten: een bijna onneembaar nachtwezen met niet goed gedefinieerde vorm.
Volgens de tradities, zijn krachten worden minder gevaarlijk als de kap die zijn hoofd bedekt afgepakt wordt. Het wezentje kent de geheime plaatsen waar schatten worden verborgen, is onvoorspelbaar, plagerig en grappig, maar soms ook hatelijk en gemeen. Zijn aanwezigheid is de oorzaak van nachtmerries, ruzies en angsten in het huis.
Dit soort wezens bestaan ook in vele varianten bij verschillende culturen uit de Oudheid over de hele wereld, en zijn in het folklore van Zuid Italië ook populaire personages in sprookjes en oude verhalen, ook lang voor dat het christendom ontstond.
Een bijzondere, verloren en mysterieuze figuur rondom de dood is de Accabadora van Sardinië. De verhalen en feiten die over dit onderwerp gaan, zijn meestal van het soort die niet zo snel verteld worden en daarom ook spannend en verboden: dingen waarvan het goed is om daarover zo weinig mogelijk te praten.
Deze figuur, behorend tot het rijke en ingewikkelde culturele erfgoed van het land Sardinië, dankt zijn naam aan het Spaanse woord " acabar ", wat "beëindigen" betekent. Het was een oudere vrouw in de gemeenschap die tot enkele tientallen jaren geleden (volgens getuigenis) de taak kreeg van de families die thuis een stervende man hadden, om een soort euthanasie te beoefenen. Vaak was het dezelfde persoon, bewaakster van oude en effectieve genezingspraktijken, die in het dorp de taak had om ziektes te genezen, het boze oog te verwijderen of uit te vinden waar het gestolen vee zou blijven.
Deze ceremonie, die in de archaïsche geschiedenis van het eiland wortelt, werd streng verboden door de katholieke kerk, en officieel afgeschaft door het Concilie van Trente (1545-1563); het veranderde daarom sterk van grootte, maar bleef toch gepraktiseerd in de landelijke gemeenschappen van Sardinië tot het begin van de jaren vijftig van de twintigste eeuw, een periode waarop de laatste waarnemingen dateren: één in Luras in 1929 en één in Orgosolo in 1952.
De accabadora is duidelijk een verontrustende figuur, een taboe-onderwerp binnen de families zelf, geroepen tot een macabere taak, aan de andere kant meelevend en gebonden aan kwesties van praktisch nut. Het was een vrouw met een praktisch gevoel, in staat om een bevalling te begeleiden of wonden te naaien zonder flauw te vallen, en in geval van nood, de dood te geven aan diegenen die, te oud of ziek zijnde, geen hoop op een zelfstandig en gezond leven hadden.
Dit is een fundamenteel punt: de accabadora werd alleen als laatste redmiddel genoemd om vrede te geven aan de langdurige stervenden, en zij behield zich het recht voor om deze te onderzoeken en te beslissen of hun extreme uur werkelijk was gekomen of niet.
Ondanks haar controversiële taak, was het altijd een gelovige vrouw die in een daad van extreme genade de ziel bevrijdde van een lijdend lichaam die tussen leven en dood verkeerde in een langdurige pijn. De bevolking van Sardinië baseerde zijn economie op landbouw en veeteelt. In dit context, langdurige behandelingen voor zieken zonder de mogelijkheid van herstel kostten tijd en verzorging voor de familieleden, die daarom niet aan het werk konden op het land en voor de rest van de familie en de dieren minder konden zorgen.
De accabadora was daarom een figuur dat in de samenleving belangrijk was en door iedereen werd geaccepteerd, ook al werd het met grote terughoudendheid uitgesproken en zeker nog minder met buitenstaanders van de gemeenschap besproken.
Men geloofde, en dit niet alleen op Sardinië, dat als een ziel worstelde om zich los te maken van een stervend lichaam, was het omdat die persoon in het leven had gezondigd en daarom zijn fouten had verdiend in het lijden van de pijn.
Het concept van zonde van plattelandsgemeenschappen, werd vaak gebaseerd op andere concepten van die van de kerk; men geloofde dat de kwelling van een lange en moeilijke sterfbed kon worden veroorzaakt door de verplaatsing van een grenssteen tussen de velden (wat betekende het stelen van land en gewassen van de buurman), door de diefstal van een landbouwwerktuig (wat, wederom, het was bedoeld om te voorkomen dat iemand hun werk zou doen en hun gezin te voeden) of zelfs - en dit werd als een echte heiligschennis beschouwd - door het juk van een ploeg of een kar te breken of te verbranden. Het juk - su juvale in de Sardinische taal - werd als een heilig object beschouwd en werd religieus gerespecteerd, waarschijnlijk als een symbool van landbouwwerk.
Deze traditie is ook te vinden in andere gebieden van de Middellandse Zee: van de streek Salento in Apulië, tot de Calabrische Aspromonte, van delen van Romagna tot enkele regio's in Frankrijk. Juist om deze reden moest een van de eerste acties van het overlijdensceremonie (uitgevoerd door de accabadora of soms door het gezin) een juk plaatsen onder het hoofdkussen van de stervende als een gebaar dat zou helpen om het lichaam van de ziel te bevrijden.
De accabadora, in het zwart gekleed en met een bedekt gezicht (en hierdoor bewust onherkenbaar op het moment dat zij "te werk"ging, zodat niemand zeker mocht zijn om haar werkelijk te kunnen verraden als getuige van haar daad) verwijderde uit de kamer van de stervende elk heilig of magisch object: amuletten, beelden van heiligen of crucifixen die, door de bemiddeling en het gebed van de geliefden, het onthechting van de ziel uit het lichaam konden vertragen; voor de zelfde reden vereiste zij ook dat alle gezinsleden de kamer moesten verlaten.
Als na deze voorbereidende acties de dood toch niet kwam, ging s'accabadora , na zorgvuldig de toestand van de patiënt te hebben beoordeeld , over tot een bijzondere en voor een moderne beleving discutabele euthanasie-techniek. Er waren verschillende manieren om een snelle dood te geven. De stervende werd met een kussen gestikt, en anders werd er een scherpe slag gegeven op een bepaald punt van het hoofd, het voorhoofd of de nek, met een soort zware olijfhout hamer (su mazzolu), waarvan er een exemplaar is gehouden bij het etnografisch museum van Galluras in Luras. Het is aannemelijk om te denken dat de operatie helaas niet altijd snel en pijnloos verliep.
![]() |
| "Su mazzolu", de hamer van de Accabadora - Etnografisch museum van Gallura, Luras, Sardinië |


No comments:
Post a Comment
Note: only a member of this blog may post a comment.